Artikel

Wim Phoelich

Door Freek Beijer

Wim_Phoelich_Beeld_01

Door de grote productie van goederen die tijdens de Tweede Wereldoorlog nodig is om de Duitse oorlogseconomie in stand te houden en omdat de meeste Duitse jongemannen naar het front zijn gestuurd, worden vanuit alle door Duitsland bezette landen miljoenen mensen naar Duitsland gestuurd om in fabrieken aan het werk te gaan. Door deze ‘Arbeitseinsatz’ worden ook 400.000 Nederlandse burgers direct bij de oorlog betrokken. Al vanaf 1940 worden Nederlandse werklozen in Duitsland te werk gesteld, maar vanaf 1941 worden ook Nederlandse bedrijven gedwongen om werknemers af te staan aan de Duitse industrie. In Nijmegen wordt onder meer het bedrijf Willem Smit Transformatoren gedwongen om een deel van zijn medewerkers voor dit doel naar Duitsland te sturen.

Eén van hen is Wim Phoelich, die bij Willem Smit werkt als instrumentmaker. Phoelich is in 1915 geboren in Tiel en groeit op aan de Nieuwe Nonnendaalseweg 5 in Nijmegen. Hij woont daar met zijn ouders, Wim en Annie, zijn broertje, Jo, en twee zusjes, Annie en Miep. Wim is niet de eerste van de familie Phoelich die werkt voor de Willem Smit-fabriek, want zijn vader en zijn oom werkten ook al voor het bedrijf. Tijdens de Tweede Wereldoorlog nemen een aantal Duitsers plaats in de directie van het bedrijf en worden enkele tientallen medewerkers als dwangarbeiders in Duitsland te werk gesteld. Het werk bij het bedrijf gaat echter gewoon door, zoals een collega van Wim, Johanna de Wilde, in haar dagboek beschrijft. Vanaf 1943 vinden er wel meer bombardementen en verdwijningen plaats, maar er is weinig tijd om daar bij stil te staan. Ondanks dat Willem Smit gedeeltelijk wordt bestuurd door Duitsers, weet de directie van het bedrijf in sommige gevallen wel vrijstellingen te regelen, waardoor medewerkers die gedwongen naar Duitsland worden afgevoerd terug konden keren naar Nederland. Voor Wim blijkt dit echter niet mogelijk. Het bedrijf krijgt op deze manier wel de joodse tekenaar Fritz Tauber vrij uit Westerbork, waarna hij onder kan duiken en uiteindelijk de oorlog overleeft. De broer van Wim, Jo Phoelich, biedt hem wel aan om onder te duiken in zijn huis in Alblasserdam, maar Wim is bang dat zijn vader dan als represaille zal worden opgepakt. Hij besluit in oktober 1942 dus toch naar Duitsland te gaan.

Wim wordt naar de Mauserfabriek in Oberndorf am Neckar gestuurd, waar een groot deel van de Duitse wapens worden geproduceerd. Daar is hij één van 12.000 buitenlandse dwangarbeiders uit vrijwel alle bezette gebieden. De omstandigheden in Oberndorf zijn abominabel. De barakken zijn vergeven van de luizen, ratten en ander ongedierte, de werkdagen zijn lang en geestdodend en er heersen allerlei besmettelijke ziektes. De Nederlandse dwangarbeiders krijgen wel de mogelijkheid om de stad in te gaan om bijvoorbeeld een café of bioscoop te bezoeken, omdat zij ook van Germaanse komaf zijn, maar de Poolse en Russische arbeiders hebben deze mogelijkheid niet. Volgens Bram Slaager, een Rotterdammer die ook in Obendorf te werk is gesteld, moeten de Polen en Russen dagelijks een uur lopen van hun barakken naar de fabriek, terwijl ze liederen zingen over hun thuisland. Vanwege de slechte omstandigheden is het ook geen wonder dat er regelmatig besmettelijke ziektes heersen in Obendorf. In maart 1943 breekt in een van de Nederlandse barakken, waar ook Wim Phoelich verblijft, de tyfus uit. De schattingen van het aantal overleden Nederlandse jongens lopen uiteen van achttien tot maar liefst zestig.

Ook Wim Phoelich liep de ziekte op in Oberndorf. In tegenstelling tot veel van zijn lotgenoten krijgt hij wel kort verlof om nog terug te keren naar Nederland. Daar trouwt hij, inmiddels ernstig ziek, met Riet Janssen, een vrouw die hij voor zijn vertrek heeft leren kennen in 1942 bij een dansles bij Jean Ditsel aan de Canisiussingel. Tijdens het verblijf in Obendorf hebben de twee per brief contact gehouden en heeft Wim Riet per post ten huwelijk gevraagd. Riet is voor de oorlog in 1940 al verloofd geweest met Lambert Grotens, maar als dienstplichtig militair komt hij in mei 1940 om het leven bij de strijd om vliegveld Ockenburg bij Kijkduin. Een dag na het huwelijk wordt Wim opgenomen in het ziekenhuis. Zijn zus Annie schrijft dat hij “aan armen en benen vastgebonden [lag] en er zat een riem om zijn middel. Hij keek ons wanhopig aan, maar we mochten van de zusters niet te dichtbij komen. Dat laatste beeld heb ik jarenlang met me meegedragen.” Drie weken na het huwelijk op 25 april 1943 overlijdt Wim Phoelich op zevenentwintigjarige leeftijd aan de gevolgen van de tyfus en wordt hij begraven aan de Daalseweg. 

Na de oorlog in 1945 trouwt Riet Janssen met Bert Damen, die zijn vrouw en zoontje heeft verloren bij het bombardement van Nijmegen op 22 februari 1944. Een aantal jaar na de oorlog worden de ouders van Wim bezocht door pater Van de Borg. Hij legt uit dat hij aalmoezenier is geweest in Obendorf tijdens de oorlog en dat hij de mannen die daar door de tyfus overleden allemaal begraven heeft. Ook Wim heeft hij nog regelmatig gesproken in Obendorf, maar pas een aantal jaar na zijn dood heeft Van de Borg gehoord van Wims overlijden. Vervolgens haalt de pater het bidprentje van Wim uit zijn binnenzak en laat het aan de twee ouders zien. 

Wim_Phoelich_Beeld_02
Wim_Phoelich_Beeld_03
Wim_Phoelich_Beeld_04

Bronnen

Anton Hendriks, ‘Op zoek naar familiegeschiedenis’, WO2Forum (2020).

Bart Janssen, Het verdriet van Nijmegen 1940-1945. Slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog (Nijmegen 2019).

Bart Janssen, ‘Lambertus Hendrikus Marie Grotens’, Oorlogsdoden Nijmegen.

Bart Janssen, ‘Wilhelmus Johannes Phoelich’, Oorlogsdoden Nijmegen.

Ben Sijes, De arbeidsinzet. De gedwongen arbeid van Nederlanders in Duitsland, 1940-1945 (Den Haag 1966).

Bram Slaager, Teil 1 Bram Slaager Arbeitseinsatz in Oberndorf a.N., Mauserwerke (2011). https://www.youtube.com/watch?v=_YkjSXzQFr8 

Fritz Tauber, Rondom Westerbork (Groningen 2004).

Johanna Wycoff-de Wilde, Dansen in de schuilkelders. Mijn dagboek uit de Tweede Wereldoorlog. Nijmegen: QV Uitgeverij.

Karin Schmidtke & Tobias Baumgartner, ‘Kulturelle Geschichte Oberndorfs’, Stadt Oberndorf (2019).

Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, Europese dagboeken en egodocumenten (244), inv.nr. 1496, Ervaringen van Harm Waterborg, tijdens zijn verblijf in Berlijn van mei 1943 tot juli 1944 (1943-1944).

Rudo Hermsen, ‘Dansen in de schuilkelders. Dansen in schuilkelders bij Willem Smit en co’s transformatoren fabriek (1940-1945) Johanna Wycoff-de Wilde’, Willem Smit Historie (2010). 

Met dank aan Werkgroep Oorlogsdoden.

Alle rechten voorbehouden